Het recht van de phantasie

I. Kooistra | De Gids | 1902 »

Aanbevelingen voor de onderwijzer over het inzetten van de verbeelding bij kinderen.

De onderwijzeres gebiedt stilte; de ideaalhouding wordt aangenomen; – het is aanschouwingsles.
‘Wat zie je daar op de plaat?’
‘Een poes.’
‘Kom, een mooi zinnetje.’
‘Ik zie een poes op de plaat.’
‘Kom jij die poes eens aanwijzen.’
Het kind komt en wijst den omtrek van de kat: kop, romp, staart, pooten, – en de anderen kijken met Argusoogen, of er misschien een pluimpje haar wordt overgeslagen, dat welbeschouwd ook nog bij de kat hoort.
Nu wordt de kleur van de kat besproken, de deelen aangewezen; de antwoorden natuurlijk in ‘mooie zinnen’: de aanschouwingsles moet immers ook een spreekoefening zijn.
De aandacht gaat verflauwen. Sommigen kijken nog met zoete, doffe oogen en de handjes mooi op tafel. Anderen doen proeven op een vlieg, die over de bank loopt, of trekken hun voorbuurvrouw aan ‘t haar.

met Instapaper.

Rubriek: Cultuur, Maatschappij, Psychologie | Tags: , , , , , , | Permalink

Comments are closed.